Hoofdstuk 1 - Een lijk in het Markermeer

SPECIALE UITGAVE FNV BOUW MAGAZINE

‘DILEMMA’, EEN THRILLER IN TIEN HOOFDSTUKKEN DIE SPEELT IN HET BOUWMILIEU, WERD SPECIAAL VOOR FNV BOUW MAGAZINE GESCHREVEN DOOR METSELAAR EN MISDAADAUTEUR GERARD NANNE.

ILLUSTRATIES SEVEN’S HEAVEN.

EEN JONGE VROUW WORDT VERMOORD AANGETROFFEN IN HET MARKERMEER BIJ HOORN. INSPECTEUR VAN POLITIE WALSTRA STUIT BIJ ZIJN ONDERZOEK OP DE MALAFIDE PRAKTIJKEN VAN EEN BOUWBEDRIJF.

HET SPOOR BRENGT HEM NAAR PRIVÉ-CLUB MOULIN ROUGE. DAAR ONTMOET HIJ CINDY EN DOET HIJ EEN INTERESSANTE ONTDEKKING. WIE WAS CHRISTINA? WAT VOOR ROL SPEELT AMBTENAAR SJOERD VAN DONGEN? WAAR HOUDT DE AANNEMER ZICH ALLEMAAL MEE BEZIG? EEN SPANNEND VERHAAL MET EEN VERRASSEND SLOT.

 

Het was middernacht, 20 februari 2004. Geruisloos werd hij ingesloten door de witte flarden mist die onverwachts vanuit het IJsselmeer waren komen opzetten. Als sluipende roofdieren, brutaal en zonder mededogen.

Sjoerd van Dongen zette de ruitenwissers aan om het kleffe vocht van zijn voorruit te vegen. Eigenlijk zou hij moeten stoppen, zijn auto aan de kant van de dijk zetten en wachten tot de ergste mist was opgetrokken. Maar dat kon hij niet maken. Het was al laat. Later dan hij kon verantwoorden. Hij wist nu al nauwelijks hoe hij zich met goed fatsoen kon verontschuldigen voor zijn middernachtelijke thuiskomst. Met goed fatsoen, bedacht hij bitter, daar was nauwelijks meer sprake van. Hij kromp ineen bij de gedachte Helène straks onder ogen te moeten komen. Wat moest hij haar vertellen?

Hij minderde vaart. Door de weerspiegeling van de koplampen op het asfalt kon hij nauwelijks een wegmarkering ontdekken. Hij was dolende. Een omstandigheid die symbolisch was voor de situatie waarin hij de laatste tijd verkeerde. Waarom was hij ook zo lang blijven hangen in de Moulin Rouge? Het had hem al veel eerder duidelijk moeten worden dat Christina niet meer zou komen, net als gisteren en eergisteren. Alsof ze van de aardbodem was verdwenen. Vanmorgen had hij terloops bij Veldman naar haar geïnformeerd. De aannemer had hem aangekeken of hij gestoord was. "Maak jij je druk om die hoer, Van Dongen?", had hij honend gevraagd. Hij had de neiging gevoeld de man zijn hersens in te slaan, maar Veldman zou gehakt van hem hebben gemaakt. Het was stom geweest om zich ooit in te laten met die hufter. Goed, Helène had haar serre, maar hij zat nu met een levensgroot dilemma.

Toch was die Veldman niet zijn grootste zorg. Het ging hem om Christina, hoer of geen hoer, hij was gek op die vrouw. Dat hij zijn kennismaking met haar te danken had aan Veldman, nam hij maar op de koop toe. Hij probeerde zijn gevoel van onrust van zich af te zetten. Morgen zou hij Veldman op de man af vragen waar Christina was. Dat besluit bevrijdde hem even van zijn sombere gevoelens. De mist leek minder te worden en hij voerde zijn snelheid op. Plotseling viel hem een heldere gedachte in. De mist, dacht hij. Hij zou Helène kunnen zeggen, dat hij door de mist vertraging had opgelopen. Tegelijkertijd merkte hij dat de mist was verdwenen.

Het was maandag 23 februari, half tien ’s morgens. Simon en Johan gooiden hun troffels in een emmer water. Het was schafttijd. Johan probeerde nog één keer de kou uit zijn handen te wrijven, maar het bloed leek daar voorgoed te zijn verdwenen. "Hoe halen ze het verdomme in hun hersens om in deze tijd van het jaar een kademuur te repareren?", foeterde hij. Simon lachte. "Je moet je niet zo aanstellen klojo, het is nog twee graden boven nul."

Johan keek hem aan of hij hem ter plekke wilde vermorden. "Dat jij bent geboren met de huid van een nijlpaard geeft je niet het recht mij een aansteller te noemen", bitste hij terug. Simon begon nog harder te lachen. Hij kon beter tegen de kou dan zijn jongere maatje, maar was het met Johan eens dat dit soort klussen beter in de zomer aangepakt kon worden. Maar aan de andere kant begreep hij het wel. Straks begon het seizoen en dan werd het hier aan het Markermeer een drukte van jewelste. De haven zou dan weer vol liggen met chartervaartuigen en zeiljachten en er zou geen ruimte zijn om de ponton te plaatsen. Trouwens, het was nog maar de vraag of Johan dan nog wel aan metselen toe zou komen. Hij zou zich vergapen aan al die schaars geklede meiden die hier langs zouden flaneren. Andersom zou ook het geval zijn en, Johan kennende, zou hij niet schromen daar profijt van te trekken.

Simon klom achter Johan de steiger af. De handen van zijn maat zagen inderdaad blauw van de kou, zag hij. Hij zou straks aan de uitvoerder vragen of het niet mogelijk was om een dekzeil te spannen aan de oostkant van de steiger. Dat zou al een hoop schelen. Hij keek naar beneden wat de mogelijkheden waren. Dat zeil zou goed vastgezet moeten worden, want het kon hier behoorlijk spoken. Maar misschien kon hij dat beter overleggen met de steigerbouwer. Hij wilde juist zijn blik weer afwenden, toen zijn aandacht werd getrokken door een vreemd voorwerp dat in het water dreef.

Wat is dat nou?, vroeg hij zich af. Nieuwsgierig liep hij een paar meter terug om het beter te bekijken. "Jezus!," riep hij geschrokken, "dat is..." Hij keek vertwijfeld om zich heen. Johan!!", brulde hij. Met een grote armzwaai maakte hij zijn maat duidelijk dat hij terug moest komen. Johan stond al bijna bij de schaftkeet en keek onwillig achterom. Maar de blik van Simon sprak boekdelen. Zijn maat keek hem aan alsof hij zojuist een lijk voorbij had zien drijven...